Kerktoonladders

Uitleg aan de hand van het modale toonsysteem

Vroeger waren andere toonladders gebruikelijk dan de toonladders die wij vandaag de dag kennen en gebruiken. We noemen deze toonladders kerktoonladders, ook wel modale ladders of modi (enkelvoud modus) genoemd, vandaar ook de term modale muziek.

We kennen 7 kerktoonladders. Elke toonladder is een opvolging van 7 tonen, verlopend volgens een patroon van hele en halve afstanden.

De kerktoonladders vinden hun oorsprong in de Oudheid. Deze toonladders waren gebouwd op de re (dorisch, D als finalis (grondtoon)), mi (frygisch, E als finalis), fa (lydisch, F als finalis) en sol (mixolydisch, G als finalis). Deze 4 zijn de hoofdkerktoonsoorten. Globaal gezien liep de melodie, ambitus genoemd, van grondtoon tot octaaf.

Naast de hoofdtoonsoorten kende men 4 neventoonsoorten, ook wel plagale modi genoemd. Hierbij liep de melodie globaal gezien vanaf de onderkwint (dus de kwint onder de grondtoon) tot bovenkwint (de kwint boven de grondtoon). 

Deze neventoonsoorten hebben dezelfde naam en finalis als de hoofdtoonsoorten, maar hebben het voorvoegsel hypo-.

In 1547 werden de ionische (beginnend op do, C als finalis) en eolische (beginnend op la, A als finalis) toonladders beschreven. Deze werden aan het systeem van kerktoonladders toegevoegd. Dit zijn onze huidige majeur- en mineur toonladders.

De ladder beginnend op ti (lokrisch, B als finalis) werd vroeger vermeden, omdat deze een verminderde dominanttoon (kwint, F) geeft. Dit interval wordt ook wel tritonus genoemd en bevindt zich tussen de reine kwart en de reine kwint. Dit interval geeft een dissonante klank en is een instabiel interval en werd mede om die redenen en om de moeilijke zingbaarheid vermeden.

De tritonus wordt ook wel de diabolus in musica (duivel in de muziek) genoemd.

Uitleg aan de hand van het huidige toonsysteem

Een voorbeeld:

We hebben een toonladder waarin de afstanden tussen opeenvolgende noten als volgt zijn:

1 – 1 – 1/2 – 1 – 1 – 1 – 1/2

Genoemde opeenvolging zijn de afstanden binnen een toonladder die wij kennen als de majeur toonladder. 

Maar wat nu als je ditzelfde patroon houdt, maar het 1 plaats verschuift? We krijgen dan het volgende resultaat:

1 – 1/2 – 1 – 1 – 1 – 1/2 - 1

Laten we als voorbeeld een toonladder van C nemen.

De afstanden in de ladder die we gebruiken zijn 1 – 1 – 1/2 – 1 – 1 – 1 – 1/2.

Ladder C_edited.png

De ladder die we dan krijgen is een majeur toonladder, oftewel een ionische toonladder.

Nu verschuiven we het patroon en nemen we de afstanden 1 – 1/2 – 1 – 1 – 1 – 1/2 - 1:

Ladder C dorisch_edited.png

Dit lijkt op het eerste gezicht een mineur toonladder. Er is echter geen Ab te vinden. Daarom noemen we deze ladder een dorische toonladder; een mineur toonladder met een grote sext.

We kunnen op deze manier 7 verschillende toonladders maken. Dit zijn de kerktoonladders.

Er zijn 'majeurachtige' en 'mineurachtige' kerktoonladders. Vaak verschillen deze 1 toon van de majeur (ionische) of mineur (eolische) toonladder.

Hieronder een overzicht:

Majeur

Mineur met een grote sext

Mineur met een kleine secunde

Majeur met een overmatige kwart

Majeur met een kleine septiem

Mineur

Ionisch: 1–1–1/2–1–1–1–1/2

Dorisch: 1–1/2–1–1–1–1/2–1

Frygisch: 1/2–1–1–1–1/2–1–1

Lydisch: 1–1–1–1/2–1–1–1/2

Mixolydisch: 1–1–1/2–1–1–1/2–1

Eolisch: 1–1/2–1–1–1/2–1–1

Lokrisch: 1/2–1–1–1/2–1–1–1

Er is echter nog een andere manier om te bepalen met welke kerktoonladder je te maken hebt.

Wanneer je op een piano alleen witte toetsen gebruikt en begint op C krijg je een majeur toonladder.

Begin je op D, dan krijg je een mineur toonladder van D, alleen is de Bb een B geworden. Een grote sext dus. Dit betekent dat je de toonladder D dorisch hebt. 

Een dorische toonladder begint dus op de 2e noot van een majeur toonladder, net als een lydische toonladder bijvoorbeeld op de 4e noot van een majeur toonladder begint. Kijk maar:

De toonladder A dorisch:

De noot A is de 2e toon in de toonladder van G. De toonsoort G majeur heeft 1 kruis. Dit betekent dat we een toonladder van A met 1 kruis krijgen. Normaalgesproken heeft A mineur geen voortekens. Nu is er echter sprake van een F#, een verhoogde sext dus.

Mineur > grote sext > dorische toonladder.

De toonladder A lydisch:

De noot A is de 4e toon in de toonladder van E. De toonsoort E majeur heeft 4 kruizen. Dit betekent dat we een toonladder van A met 4 kruizen krijgen. Normaal gesproken heeft A majeur 3 kruizen. Nu is er echter ook nog sprake van een vierde kruis, een D#. De kwart van de A majeur toonladder is dus verhoogd.

Majeur > overmatige kwart > lydische toonladder.

Bovenstaand principe is toepasbaar op alle kerktoonladders.

De lokrische kerktoonladder komt zelden voor, omdat deze een verminderde kwint bevat en om die reden een 'instabiele' klankomgeving geeft.

Hieronder een overzicht:

Ionisch (majeur): begin op de tonica

Dorisch: begin op de 2e noot van een toonladder

Frygisch: begin op de 3e noot van een toonladder

Lydisch: begin op de 4e noot van een toonladder

Mixolydisch: begin op de 5e noot van een toonladder

Eolisch (mineur): begin op de 6e noot van een toonladder

Lokrisch: begin op de 7e noot van een toonladder